⏰ Klokkijken in groep 5: de digitale klok en de 24-uursklok
In groep 4 leert je kind de analoge klok lezen: hele uren, halve uren en de kwartieren. In groep 5 gaat het een stap verder. Dan komen de minuten erbij, de digitale klok en de tijden na 12 uur 's middags, zoals 17:45. Voor veel kinderen voelt dat als een hele nieuwe klok, terwijl het eigenlijk dezelfde tijd is in een andere vorm.
Wat er in groep 5 aan bod komt
De volgorde verschilt per methode, maar meestal oefent je kind in groep 5 met:
- de analoge klok op de minuut nauwkeurig lezen, zoals "tien voor half vier";
- de digitale klok lezen, zoals 03:20;
- wisselen tussen analoog en digitaal;
- de 24-uursklok, waarbij 15:00 hetzelfde is als drie uur 's middags;
- uitrekenen hoeveel tijd er tussen twee tijdstippen zit.
Op de pagina's over klokkijken in groep 4 en groep 5 zie je hoe de stof per jaar is opgebouwd.
Waar het vaak misgaat
De grootste struikelblokken zijn steeds dezelfde:
- Half vier is 3:30, niet 4:30. In het Nederlands zeg je "half" vóór het volgende uur. Op de digitale klok staat het uur ervóór. Dit is verreweg de meest gemaakte fout.
- Rond het halve uur. "Vijf over half acht" is 7:35. Kinderen moeten dan tegelijk aan het halve uur en aan de minuten denken.
- Na twaalf uur. Om van 16:00 naar "vier uur" te komen, haal je er 12 vanaf. Dat lijkt simpel, maar vraagt eerst wat oefening.
- Tijdsduur over het hele uur heen. Van 9:45 tot 10:15 is dertig minuten, niet zeventig. Hier helpt het om via het hele uur te rekenen: eerst naar 10:00, dan verder.
Tijdsduur uitrekenen: de handigste aanpak
Hoeveel tijd zit er tussen 8:50 en 10:20? Veel kinderen proberen de tijden van elkaar af te trekken, alsof het gewone getallen zijn. Dat gaat mis, omdat een uur zestig minuten heeft en geen honderd. Beter werkt het om in sprongen te denken, net als op een getallenlijn:
- Spring eerst naar het volgende hele uur: van 8:50 naar 9:00 is 10 minuten.
- Spring dan met hele uren: van 9:00 naar 10:00 is 1 uur.
- Spring tot slot naar het eindtijdstip: van 10:00 naar 10:20 is 20 minuten.
Tel de sprongen op: 1 uur en 30 minuten. Teken het eens samen uit op papier, met een streep en de sprongen erboven. Kinderen die dit een paar keer zo doen, maken veel minder fouten dan kinderen die het in één keer uit hun hoofd proberen.
Zo oefen je thuis
Tijd zit overal in het dagelijks leven, dus je hebt weinig extra materiaal nodig:
- Laat je kind de tijd zeggen. Bij het ontbijt, in de auto, voor het slapengaan. Eerst analoog, dan "hoe zou dat er digitaal uitzien?"
- Gebruik dienstregelingen en tv-gidsen. Hoe laat vertrekt de bus? Hoe lang duurt de film als hij om 19:15 begint en om 20:50 eindigt?
- Zet een analoge klok in huis. Wie alleen digitale klokken ziet, krijgt minder vanzelf oefening met de wijzers.
- Werk met plannen. "We moeten om 16:30 weg en je moet je nog een kwartier aankleden. Hoe laat moet je beginnen?"
Liever met papier? Bij de gratis werkbladen staan klokbladen om te printen.
Klokkijken met BreinKid
Bij het vak klokkijken oefent je kind met analoge en digitale klokken, op zijn eigen niveau. Het begint bij hele uren en bouwt op tot de 24-uursklok en tijdsduur. Je kunt het veertien dagen gratis proberen.
Met elke dag een paar keer "hoe laat is het?" ben je verder dan je denkt.
Zelf ervaren? Met BreinKid oefent je kind spelenderwijs, op precies het juiste niveau.
Probeer 14 dagen gratis →